Op een gegeven moment zal de Tweede Kamer zich moeten uitspreken over de introductie van het Nationaal Leerplan Rijbewijs B. Voorstanders presenteren het plan als een belangrijke stap naar betere rijopleidingen, meer uniformiteit en uiteindelijk een hogere verkeersveiligheid. Maar voordat Kamerleden hun hand opsteken, zouden zij zich één fundamentele vraag moeten stellen: welk probleem wordt hiermee eigenlijk opgelost?
Het klinkt logisch. Een nationaal leerplan moet ervoor zorgen dat iedere leerling-bestuurder dezelfde lesstof krijgt aangeboden en volgens dezelfde methodiek wordt opgeleid. In theorie ontstaat daardoor een gelijk speelveld en een hogere kwaliteit van de rijopleiding. Maar theorie en praktijk zijn niet altijd hetzelfde.
Opvallend genoeg is er nauwelijks wetenschappelijk bewijs dat een uitgebreidere rijopleiding of meer rijlessen daadwerkelijk leiden tot een hogere verkeersveiligheid op de lange termijn. Internationaal onderzoek laat zien dat beginnende bestuurders vooral leren door ervaring op te doen nadat zij hun rijbewijs hebben behaald. Verkeersinzicht, risicoperceptie en defensief rijgedrag ontwikkelen zich voornamelijk in de praktijk. Dat betekent niet dat rijlessen nutteloos zijn, maar wel dat het verband tussen een steeds verder gereguleerde rijopleiding en minder verkeersslachtoffers allerminst vanzelfsprekend is.
Daarmee komt een tweede vraag in beeld. Mag de Nederlandse Staat überhaupt voorschrijven hoe zelfstandige rijscholen hun opleiding moeten inrichten?
Nederland telt duizenden rijschoolhouders die als zelfstandige ondernemers werkzaam zijn. Zij dragen zelf het financiële risico van hun bedrijf, investeren in lesvoertuigen, ontwikkelen lesmethoden en concurreren op kwaliteit, service en prijs. Met een nationaal leerplan verschuift een deel van die professionele vrijheid naar de overheid. De Staat bepaalt dan niet alleen wat een kandidaat moet kunnen om een rijbewijs te halen, maar ook in toenemende mate hoe een ondernemer zijn lessen moet verzorgen.
Dat is een principiële stap. De overheid stelt immers al de eindtermen vast via het rijexamen. Wie aan die eindtermen voldoet, slaagt. Het is de vraag waarom de overheid daarnaast ook de weg naar dat examen steeds verder wil dichtregelen. In vrijwel geen enkele andere sector wordt een ondernemer zo gedetailleerd voorgeschreven hoe hij zijn dienstverlening moet organiseren, zolang het eindresultaat aan de wettelijke eisen voldoet.
Voorstanders zullen aanvoeren dat de kwaliteit van rijscholen sterk uiteenloopt en dat consumenten bescherming verdienen. Dat argument verdient serieuze aandacht. Maar kwaliteit verbeteren kan ook door transparantie, betere exameninformatie en streng toezicht op malafide aanbieders. Daarvoor is niet noodzakelijk een landelijk opgelegd lesprogramma nodig.
De kern van het debat is daarom niet verkeersveiligheid alleen. Het gaat ook over de verhouding tussen overheid en ondernemerschap. Hoeveel ruimte mag een zelfstandige rijschoolhouder nog hebben om zijn vak naar eigen inzicht uit te oefenen? En hoeveel bewijs is nodig voordat de overheid een gehele branche nieuwe regels oplegt?
Wanneer de Tweede Kamer straks over het Nationaal Leerplan Rijbewijs B stemt, zou zij niet alleen moeten kijken naar de goede bedoelingen achter het voorstel. Goede bedoelingen zijn immers geen bewijs van effectiviteit. De vraag is uiteindelijk of Nederland behoefte heeft aan meer overheidssturing in de rijopleiding, of dat vertrouwen in vakmanschap en ondernemerschap beter past bij een vrije samenleving.
Dat is een debat dat verder reikt dan het rijbewijs alleen.
