ONRECHT: Wanneer instituties elkaar niet meer corrigeren: vragen over overheid, rechtspraak en de zaak ‘CBR stalker’

Hebben politie, Openbaar Ministerie, bestuurders en rechters gedurende deze jaren voldoende oog gehad voor signalen van psychische problematiek?

Leestijd: 4 minuten
deze opinie is overgenomen van het Nationaal loket Onrecht en geschreven door Haje Derksen, eindredacteur 

Een democratische rechtsstaat wordt niet alleen beoordeeld op de manier waarop zij misdadigers vervolgt, maar juist ook op de wijze waarop zij omgaat met burgers die al jarenlang in conflict zijn met de overheid. Juist wanneer signalen van psychische problemen, een escalerend conflict en voortdurende juridische procedures zich opstapelen, mag worden verwacht dat politie, Openbaar Ministerie, bestuur en rechterlijke macht elkaar kritisch bevragen. Dat is de kern van de rechtsstaat.

De zaak rond journalist en voormalig rijschoolhouder Henrie Kamps die dankzij mediaverklaringen van voormalige CBR directeur Alexander Pechtold landelijke bekendheid kreeg als ‘CBR stalker’ roept daarom een aantal fundamentele vragen op. Niet omdat daarmee vaststaat dat alle verwijten die Kamps aan het CBR maakt juist zijn, of omdat zijn eigen handelen zonder meer gerechtvaardigd zou zijn, maar omdat de wijze waarop het conflict zich heeft ontwikkeld vragen oproept over het functioneren van verschillende overheidsinstanties.

Volgens Kamps begon zijn jarenlange strijd nadat hij in 2021 publiceerde over vermeende misstanden binnen het CBR. Hij stelt dat hij nadat hij Pechtold meedeelde dat hij zou blijven publiceren over de misstanden tot het moment dat de minister of politie/justitie onafhankelijk onderzoek zou gelasten, door toenmalig CBR-directeur Alexander Pechtold telefonisch werd bedreigd met de woorden: “Dat overleef jij niet.” Die gestelde bedreiging is door Pechtold publiekelijk niet erkend, maar vormt voor Kamps het begin van een conflict dat inmiddels jaren voortduurt.

Een opeenstapeling van procedures

Sindsdien volgden civiele procedures, gebiedsverboden, dwangsommen, strafrechtelijke aangiften en uiteindelijk zelfs een procedure waarin het CBR de rechter vroeg om lijfsdwang mogelijk te maken wanneer verboden opnieuw zouden worden overtreden. De rechter wees erop dat sprake was van een uitzonderlijke maatregel, maar kende het verzoek uiteindelijk toe. (NOS)

Tegelijkertijd stelt Kamps dat hij gedurende deze jaren herhaaldelijk heeft aangegeven te kampen met ernstige PTSS-klachten en daardoor niet in staat was zich zonder juridische ondersteuning adequaat te verdedigen. Of die medische omstandigheden in de verschillende procedures voldoende zijn meegewogen, is uit openbare uitspraken niet zonder meer vast te stellen. Dat roept echter wel een bredere vraag op: welke verantwoordelijkheid hebben politie, Openbaar Ministerie en de rechter wanneer een betrokkene structureel melding maakt van psychische problematiek?

De verantwoordelijkheid van de overheid

Binnen politie en justitie bestaan protocollen voor personen die verward gedrag vertonen of psychisch kwetsbaar zijn. Wanneer gedurende meerdere jaren meldingen binnenkomen over PTSS, depressieve klachten en een steeds verder escalerend conflict met een overheidsinstantie, mag worden verwacht dat wordt onderzocht welke interventie het meest passend is.

Die verantwoordelijkheid strekt verder dan uitsluitend handhaving. Ook het voorkomen van verdere escalatie behoort tot de publieke taak.

Dat geldt eveneens voor de rechterlijke macht. Rechters beoordelen de zaken die aan hen worden voorgelegd op basis van het dossier en de processtukken. Tegelijkertijd vormt toegang tot effectieve rechtsbijstand een belangrijk onderdeel van het recht op een eerlijk proces, zoals beschermd door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Wanneer een partij stelt door medische omstandigheden niet in staat te zijn zichzelf behoorlijk te verdedigen, kan dat vragen oproepen over de praktische toegankelijkheid van de rechtsgang, ook al betekent dit niet automatisch dat een rechter onjuist heeft gehandeld.

Het opmerkelijke beveiligingsvraagstuk

Juist daarom is een recente ontwikkeling opvallend.

Volgens berichtgeving verscheen Kamps twee weken geleden opnieuw bij het CBR-examencentrum in Hengelo en wist hij het gebouw meerdere keren binnen te lopen, terwijl jarenlang was gesproken over omvangrijke beveiligingsmaatregelen vanwege zijn aanwezigheid.

Dat roept een logische vraag op.

Indien jarenlang is gesteld dat een persoon een zodanig veiligheidsrisico vormt dat examens worden afgelast, beveiligers worden ingezet, schermen rond examencentra worden geplaatst en uiteindelijk zelfs lijfsdwang noodzakelijk wordt geacht, hoe is het dan mogelijk dat dezelfde persoon vervolgens herhaaldelijk ongehinderd het gebouw kan betreden?

Dat hoeft niet automatisch te betekenen dat sprake is geweest van nalatigheid, maar het is wel een vraag die om een feitelijke verklaring vraagt.

Lessen uit eerdere overheidsaffaires

Nederland kent inmiddels meerdere voorbeelden waarbij jarenlang vooral werd uitgegaan van het gelijk van de overheid, totdat later bleek dat instituties elkaar onvoldoende hadden gecorrigeerd. De toeslagenaffaire heeft laten zien hoe schadelijk het kan zijn wanneer verschillende overheidsorganisaties elkaars handelen bevestigen zonder voldoende ruimte voor kritische reflectie.

Juist daarom is het van belang dat ook langdurige conflicten tussen burgers en de overheid periodiek onafhankelijk worden geëvalueerd. Niet om automatisch de burger of de overheid gelijk te geven, maar om vast te stellen of procedures nog bijdragen aan een oplossing of juist leiden tot verdere escalatie.

Meer dan een individueel conflict

De zaak-Kamps lijkt daarmee niet alleen een conflict tussen één burger en het CBR, maar ook een toets voor het functioneren van de Nederlandse rechtsstaat.

Hebben politie, Openbaar Ministerie, bestuurders en rechters gedurende deze jaren voldoende oog gehad voor signalen van psychische problematiek?

Is steeds kritisch gekeken naar de proportionaliteit van maatregelen?

En hoe kan worden verklaard dat iemand die volgens verschillende instanties jarenlang een ernstig veiligheidsprobleem vormde, vervolgens zonder noemenswaardige belemmeringen meerdere malen een examencentrum kon binnenlopen?

Dat zijn vragen die niet alleen betrekking hebben op Henrie Kamps, maar op het vermogen van de overheid om ook het eigen handelen kritisch te blijven onderzoeken. Juist dát onderscheidt een democratische rechtsstaat van een systeem waarin instituties elkaar uitsluitend bevestigen.

Boek en docu-serie ‘Lijfsdwang’ moeten laten zien hoe de rechtsstaat faalt

Kamps werkt momenteel aan een boek over deze affaire, getiteld Lijfsdwang. Daarin beschrijft hij hoe hij, naar eigen zeggen, vanaf de allereerste dreiging door Alexander Pechtold jarenlang stelselmatig werd geprovoceerd, geïntimideerd, genegeerd en veroordeeld, terwijl politie en justitie volgens hem geen van zijn vijf aangiftes serieus namen.

Daarnaast beschrijft hij hoe de directie en de Raad van Toezicht van het CBR volgens hem jarenlang ambtsmisdrijven in de doofpot hielden. Het boek moet uitgroeien tot een kroniek die een onthutsend beeld schetst van het functioneren van politie, het Openbaar Ministerie en de rechtspraak wanneer een burger melding maakt van of aangifte doet van vermeende ambtsmisdrijven.

‘Ik heb dit allemaal doorstaan omdat ik wilde voorkomen dat burgers, zoals de slachtoffers van het kinderopvangtoeslagschandaal, opnieuw worden vermorzeld door het onbetrouwbare deel van onze overheid. Eén ding heb ik daarbij onderschat: dat ik zelf slachtoffer zou worden en door een falende en onbetrouwbare overheid bijna tot waanzin werd gedreven,’ aldus onderzoeksjournalist Henrie Kamps.

Kamps besloot afgelopen week opnieuw behandeling te zoeken voor zijn PTSS-klachten. Met EMDR-therapie hoopt de Achterhoeker het trauma te verwerken dat hij, naar eigen zeggen, heeft opgelopen als gevolg van het handelen van voormalig CBR-directeur Alexander Pechtold.