De Nederlandse rijinstructeur heeft jarenlang gedacht dat zijn werk bestond uit lesgeven. Verkeerssituaties uitleggen, leerlingen coachen, fouten corrigeren en ervoor zorgen dat iemand veilig zelfstandig de weg op kan. Maar als het Nationaal Leerplan Rijbewijs B straks verplicht wordt, lijkt er een nieuwe functieomschrijving in aantocht: rijinstructeur, coach, beoordelaar, dossierbeheerder én administrateur.
Volgens de plannen wordt de rijopleiding opgedeeld in verschillende fasen met vaste leerdoelen, toetsmomenten en een leerportfolio waarin de voortgang van de leerling moet worden vastgelegd. Ook wordt gesproken over meerdere beoordelingsmomenten en een competentiegerichte aanpak.
Dat klinkt op papier logisch. Wie kan er immers tegen structuur zijn? Maar achter ieder leerdoel schuilt een registratie. Achter iedere beoordeling een formulier. Achter iedere fase een controlemechanisme. En achter ieder portfolio een rijinstructeur die de gegevens moet invoeren.
De vraag is niet of dit extra werk oplevert. Die vraag is al beantwoord. In de officiële impactanalyses wordt expliciet gesproken over extra regeldruk en extra kosten voor rijscholen en rijinstructeurs.
De echte vraag is of deze administratieve uitbreiding ook daadwerkelijk leidt tot betere bestuurders.
Want terwijl de overheid en het CBR steeds meer nadruk leggen op leerplannen, kerndoelen en portfolio’s, blijft het bewijs dat dergelijke systemen de verkeersveiligheid substantieel verbeteren opvallend beperkt. Een leerling leert uiteindelijk rijden door te rijden. Niet door vinkjes in een digitaal dossier.
Sterker nog, iedere minuut die een instructeur achter een computer zit, is een minuut die niet besteed wordt aan lesvoorbereiding, nascholing of simpelweg lesgeven. De zelfstandige rijschoolhouder, die nu al worstelt met stijgende kosten, personeelstekorten en examencapaciteit, krijgt er opnieuw een taak bij die niet direct met verkeersveiligheid te maken heeft.
Het meest opmerkelijke is misschien wel dat de Nederlandse overheid hiermee steeds verder binnendringt in een markt die traditioneel werd gekenmerkt door ondernemerschap. Het Nationaal Leerplan schrijft niet alleen voor wat een leerling moet leren, maar indirect ook hoe een instructeur zijn lessen moet organiseren en documenteren.
Dat roept een principiële vraag op. Hoeveel vrijheid mag een zelfstandige rijschool nog hebben om zelf invulling te geven aan de opleiding van zijn leerlingen? Wanneer verandert kwaliteitsbewaking in centrale sturing?
Natuurlijk moet de kwaliteit van rijopleidingen hoog zijn. Daarover bestaat nauwelijks discussie. Maar kwaliteit ontstaat niet automatisch door meer formulieren, meer registraties en meer controlemomenten. Soms ontstaat kwaliteit juist doordat professionals de ruimte krijgen om hun vak uit te oefenen.
Misschien moet Den Haag daarom eerst één eenvoudige vraag beantwoorden voordat het Nationaal Leerplan verplicht wordt gesteld: willen we meer tijd voor lesgeven of meer tijd voor administratie?
Want de leerling die straks achter het stuur zit, heeft uiteindelijk weinig aan een perfect ingevuld portfolio als de instructeur geen tijd meer heeft om les te geven.

